‘Kozakkenkerkhof’ in Hoog Buurlo

Door WIM H. NIJHOF, De Stentor


22 OKTOBER 2005 - APELDOORN - Niet ver van de tweede schaapskooi in Hoog Buurlo liggen Kozakken begraven, vermoord door boze papiermakers en hun knechten uit Ugchelen. De Kozakken, die de Franse bezetters verjoegen, waren niet geliefd: ze waren uit op jonge meisjes, jenever, geld en kostbaarheden.

In de morgen van 22 november 1813 bevrijdden de Kozakken Apeldoorn, daarom wordt die dag Kozakkendag genoemd. Maar de vreugde duurde kort. Het bericht gonsde door de stad dat er 150 Franse soldaten onderweg waren, vanuit Amersfoort. In Voorthuizen hadden ze boerderijen geplunderd en bewoners mishandeld. De Kozakken, die met veel minder mannen waren, vluchtten.

De volgende middag konden de Fransen ongehinderd de dorpskom binnen marcheren. Zij eisten haver, hooi en stro voor de paarden en brood, wijn en andere levensmiddelen voor zichzelf. Het hele boodschappenlijstje moest direct naar hun bivak op Het Loo. Maar de volgende dag vertrokken ze weer. Apeldoorn was voorgoed verlost van de Fransen, maar niet van de Kozakken; zij bleven nog een tijdje op de Veluwe. De dorpelingen hadden er veel last van. De ruwe Kozakken namen bij voorbeeld een meisje uit het dorp mee. Ze zou nooit meer terugkeren.

Angstige uren beleefde ook de papiermaker Jan Jacob Berends, die zijn geld had verstopt in de tuin, onder een beeld dat vermoedelijk afkomstig was uit de tuinen van Het Loo. De Kozakken vonden nergens geld, Berends hield ondanks alle bedreigingen vol dat hij niets in huis had. Zelfs toen hij werd meegenomen naar het stille Engelanderholt, hield de dappere papiermaker zijn mond en de Kozakken lieten hem los. Doodvermoeid en van de kaart kwam Berends thuis. Onder het oude tuinbeeld lagen nog steeds de verborgen penningen.

Berends was een gastvrij man: wie bij hem op de Steenbeek aankwam als de pot op het vuur hing, kon mee eten. De lange winteravonden waren gezellig. Familie en personeel schaarden zich rond het knetterende haardvuur om naar verhalen te luisteren.

Zoals dat vreemde verhaal over de Kozakken van Hoog Buurlo. Eind november 1813 op een nevelige novemberdag maakten dronken Kozakken hun opwachting, zo schreef stadsgeschiedschrijver R. Hardonk in zijn boek over korenmolenaars, papiermakers en koperslagers, kwamen ze toch. Ze eisten op barse toon geld en jenever, zochten overal, in de woning, in de schuren, het bakhuisje en de hooiberg. Toen ze niets van hun gading vonden, slachtten ze een paar schapen en roosterden het vlees boven het houtvuur.

Als er geen geld of drank op tafel komt, steken we alles in brand, dreigden de Russen.

Een jongen zag kans te ontvluchten, hij gaf zijn paard de sporen richting Assel. Een boer aan wie hij zijn verhaal vertelde, geloofde zijn oren niet. Hij bedacht zich geen moment, sprong op zijn paard en haalde hulp in Ugchelen. Even later trok een groep papiermakers met hun knechten over de eenzame heideweg naar Hoog Buurlo, bewapend met bijlen, schoppen, hooivorken, zeisen, knuppels en messen.

De Kozakken, die de jenever hadden gevonden, waren dronken in slaap gevallen, luid snurkend lagen ze in een schuur, keurig netjes naast elkaar, de hoofden in één rechte lijn. De Ugchelse redders legden een lange ladder langs de halzen van de Kozakken.

‘Bijlen en messen flitsen en even later zijn de hoofden van de plunderaars gescheiden van het overige gedeelte der lichamen’, schrijft Hardonk beeldend. ‘Daarna begraven de mannen uit Ugchelen de stoffelijke resten op een stille plek, niet ver van de tweede schaapskooi. Ook de wapens verdwijnen onder de grond.’

Temidden van een groepje hoge berken stond nog lang een plek bekend als ‘het Kozakkenkerkhof’.

Het is een legende, volgens Hardonk, ‘maar toch moet er een kern van waarheid schuilen in deze wonderlijke vertelling’.